Mijn Maleisië was Borneo. Ik reisde door Sabah en Sarawak, de twee Maleisische deelstaten op dat enorme eiland, en dat is een heel andere wereld dan de wolkenkrabbers van Kuala Lumpur. Hier draait het om regenwoud, gigantische grotten, orang-oetans en kleine eilanden voor de kust. In deze gids vertel ik wat me het meest is bijgebleven, wat de moeite waard was en waar je rekening mee moet houden.
Waarom Maleisië bijzonder is
Wat Borneo zo gaaf maakt, is dat de natuur er nog echt groot en wild aanvoelt. Je vliegt in een klein propellervliegtuigje over een oneindig tapijt van jungle, je vaart met een longboat over bruine rivieren en aan het eind van de dag zie je de zon zakken achter de heuvels vanaf een terras midden in het bos. Op één regenwoudwandeling zag ik een rafflesia in bloei staan, de grootste bloem ter wereld, en dat is echt zo’n moment waarvan je denkt: hier kom ik voor.
Daarnaast is Maleisië een land waar heel veel samenkomt. In een stad als Kuching lopen een moskee, een Chinese tempel en oude koloniale gebouwen door elkaar heen, en het eten is daardoor een van de leukste dingen om te doen. Het reizen gaat ontspannen, de mensen zijn vriendelijk en het voelde nergens gedoe.
De mooiste plekken in Maleisië
Ik bleef op Borneo, met Sabah in het noorden en Sarawak in het zuidwesten. Dit zijn de plekken die ik je zou aanraden.
Kota Kinabalu en de eilanden
Kota Kinabalu in Sabah is de uitvalsbasis voor het noorden. Vlak voor de kust liggen de eilanden van het Tunku Abdul Rahman-park, waar je met een klein bootje naartoe vaart om te snorkelen en op het strand te liggen. Landinwaarts zit je zo in het regenwoud, met watervallen en die enorme rafflesia.
Gunung Mulu
Gunung Mulu in Sarawak was voor mij het hoogtepunt. Een nationaal park vol gigantische grotten dat je alleen per vliegtuigje of boot bereikt. De ingang van Deer Cave is zo groot dat er makkelijk een kerk in zou passen, en aan het eind van de middag stromen er miljoenen vleermuizen uit voor hun avondmaal. Dat zie je niet snel ergens anders.
Kuching
Kuching is de mooiste stad die ik in Maleisië zag: een gemoedelijke rivierstad met een gezellige boulevard, kleurrijke Chinatown, oude forten en het opvallende parlementsgebouw aan de overkant van het water. Bovendien is het de perfecte uitvalsbasis voor dagtrips, zoals de orang-oetans bij Semenggoh en het regenwoud met de zeerotsen van Bako National Park.
Praktisch: reizen door Maleisië
Op Borneo zijn de afstanden groot en de wegen niet altijd snel, dus binnenlandse vluchtjes zijn er heel normaal. Voor plekken als Gunung Mulu is een vliegtuig zelfs de enige praktische manier om er te komen. Boek dat soort tochten en parken vooraf, zeker als je met een gids de grotten of de jungle in wilt.
Betalen doe je in ringgit en pinnen kan in de steden overal. Het eten is goedkoop: ga naar de hawkercentra en marktstalletjes, daar eet je voor weinig het lekkerst. Houd er wel rekening mee dat Sarawak en Sabah hun eigen immigratie hebben, dus je paspoort komt vaker uit je tas dan je zou verwachten.
Wanneer ga je het beste naar Maleisië
Een echt droog seizoen bestaat niet in Maleisië, het is er het hele jaar warm en vochtig. Grofweg valt er tussen mei en september wat minder regen, en dat is voor de meeste reizigers de handigste periode. De natste maanden zijn oktober tot januari, met korte maar heftige buien. Reken sowieso op af en toe een stortbui, dat hoort er in de tropen gewoon bij.
Mijn eerlijke oordeel over Maleisië
Maleisië, en dan vooral Borneo, is een land voor wie van natuur houdt en het niet erg vindt om er wat moeite voor te doen. De grotten van Mulu, de orang-oetans en de eilanden zijn stuk voor stuk de reis waard, en steden als Kuching maken het compleet met goed eten en een ontspannen sfeer. Ga je voor een eerste keer, combineer dan een paar dagen stad met minstens één groot natuurpark. Hieronder deel ik mijn verhalen per plek.